Geschiedenis

Arisdonk 148, 9950 Waarschoot

Beknopte geschiedenis van het modelvliegen:

 

Vliegen heeft de mens al sinds het begin van zijn bestaan beziggehouden.

De ontwikkelingen van het modelvliegen tot de huidige situatie zijn dan ook fascinerend.

 

In de jaren dertig werd modelvliegen in Belgie en Nederland populair.

De vliegtuigjes werden meestal gebouwd in balsahout of dun berken triplex om het zo licht mogelijke te houden.

Tegenwoordig worden veel modelvliegtuigen gemaakt van piepschuim zoals EPP of EPO. Het voordeel van dit materiaal is dat het sterk, goedkoop, licht en eenvoudig te repareren is.

Eind 1941, tijdens WO II, wordt de modelbouw geheel naar de bezetter zijn wil aan banden gelegd.

Pas in 1945 pakt men de draad weer op.

De na-oorlogse periode brengt veel vernieuwingen met zich mee.

In de jaren vijftig is de verbrandingsmotor algemeen goed geworden en het lijnbestuurde model doet naast de vrije vlucht modellen zijn intrede.

 

Vrije vluchtmodellen:

Vrije vluchtmodelvliegtuigen zijn niet uitgerust met een besturingsinstallatie.

Na de start kan de piloot dan ook geen enkele invloed meer uitoefenen op het model.

Deze modellen beschikken over een grote mate van eigen stabiliteit zodat ook onder turbulente

vliegomstandigheden het model weer snel in zijn normale vliegstand terugkomt.

 

Lijnbestuurde modellen:

In deze tak van de modelvliegsport vliegen de modellen in een cirkel rond de meedraaiende piloot die het model bestuurt door middel van een stuurhandvat, verbonden met het model door twee superdunne stalen lijnen.

Deze lijnen komen het model binnen door de linker vleugeltip en zijn verbonden met een

mechanisme dat op zijn beurt het hoogteroer en soms ook vleugelkleppen doet bewegen.

Hierdoor kan het model omhoog en omlaag worden gestuurd. Als dit alles was, dan zou men er

waarschijnlijk snel op uitgekeken raken. Maar door de combinatie van vliegsnelheid en de daarbij

passende lijnlengte ontstaat er een trekkracht op de lijnen die groter is dan het modelgewicht.

Hierdoor kan het model, afhankelijk van het ontwerp, alle punten bereiken op de denkbeeldige halve bol met de lijnlengte als straal. Hiermee ligt de weg open naar het spectaculaire kunstvliegen.

 

De voortschrijdende ontwikkeling in de elektronica, waaronder de transistor, van de jaren 60 maakt dat het modelvliegen een andere dimentie krijgt.

De radiografisch bestuurde modellen en electromotor doen hun intrede.

In de jaren '80, met de komst van de NiCd cellen werd elektro aandrijving een realiteit.

 

Zweefvliegtuigen:

Binnen de categorie zweefvliegtuigen kan men weer onderscheid maken tussen twee hoofdgroepen, zijnde zweefvliegtuigen en zweefvliegtuigen met hulpmotor.

Zweefvliegtuigen zijn niet voorzien van een aandrijving.

Om deze modellen in de lucht te krijgen moeten ze worden gelanceerd.

Bij zweefvliegtuigen met hulpmotor dient de motor uitsluitend om het model te starten en op hoogte

te brengen.

Nadat het model op hoogte is gekomen wordt de motor afgezet en begint de eigenlijke zweefvlucht.

 

Radiografisch bestuurde modellen:

In radiografisch bestuurbare (RC) modellen bevindt zich in het modelvliegtuig een ontvanger. Deze ontvanger verwerkt de stuursignalen, die door de piloot op de grond door middel van een zender worden uitgezonden,

en stuurt deze signalen door naar de zogenaamde servo's. Dit zijn kleine elektromotortjes die onder

eenzelfde hoek verdraaien als de stuurknuppel op de zender. Door middel van stootstangen of

stuurkabels wordt de beweging van de servo's overgebracht op de roeren.

 

Naast radiogestuurde vliegtuigen zijn heden vandaag de RC helikopters en drones niet meer weg te denken.

Ieder zijn meug zou ik zeggen.